Goede instituten ontwikkelen een land

Wat is belangrijker voor ontwikkeling van landen: ligging, instituten of bestuur?

bestuur Economische groei in arme landen hangt af van veel verschillende zaken en waarschijnlijk ook van een portie geluk. Is het mogelijk om de factoren aan te wijzen die voor de ontwikkeling het meest van belang zijn?

Economen hameren al vele jaren op het belang van een goed economisch beleid -hoewel ze vaak van mening verschillen over de vraag wat goed en wat slechter beleid is. Tegenwoordig is het in om het belang van lang levende 'instituten' voor het aanwakkeren van de economische groei te benadrukken: politieke stabiliteit, eigendomsrechten, juridisch apparaat, verdeling van grondbezit, enzovoort. Andere economen wijzen op het grote belang van de ligging van een land; speciaal de klimaatgordel en de toegang tot zee. Het klimaat werkt ziektes in de hand, maakt de toepassing van sommige technieken mogelijk, en biedt de landbouw kansen. De toegang tot zee is belangrijk voor internationale handel.

Belangrijkste factor

Deze verklaringen zijn niet wederzijds exclusief. Succesvolle ontwikkeling kan afhangen van alle drie factoren. Rijke landen combineren gewoonlijk een (gemiddeld) goed bestuur plus gezonde en stabiele instituten met een goede geografische ligging. Ontwikkelingslanden doen het vaak slecht op alle drie punten. Toch is het nog steeds interessant om uit te vinden of bijvoorbeeld bestuur belangrijker is dan ligging, omdat beleid eenvoudiger te veranderen is dan de ligging van een land in de tropen.

Instituten

In de NBER working paper 9106 'Tropics, Germs and Crop' beschrijven William Easterly en Ross Levine deze drie factoren aan de hand van 72 arme en rijke landen. De resultaten zijn opmerkelijk. Instituten zijn verreweg het belangrijkst. Ligging en bestuur, hoe belangrijk op zich ook, doen eigenlijk geheel niet ter zake.

Beleid niet doorslaggevend

Het resultaat dat het beleid op het gebied van inflatie, de openheid voor handel, de wisselkoersen enzovoort de groei niet stimuleert, is verbazingwekkend en niet in lijn met andere studies. De schrijvers beamen dit. Een verklaring is dat andere studies niet de instituten naast het beleid als mogelijke factor hebben meegenomen. Als landen met een laag inkomen naast een slecht beleid ook slechte instituten hebben, en instituten komen niet voor in de analyse, dan verbergt een slecht beleid de echte onderliggende oorzaak, de slechte instituten. Hoe het ook zij, landen met goede instituten doen het altijd goed met welk beleid dan ook; landen met slechte instituten doen het altijd slecht.

Verborgen oorzaak

Andere studies zeggen dat de ligging van een land erg belangrijk is. De schrijvers vinden dit min of meer ook omdat ze tot de conclusie komen dat de geografische ligging instituten beïnvloed. Een goede ligging bevordert goede instituten; goede instituten bevorderen op hun beurt weer de ontwikkeling. Wanneer de schrijvers kijken naar de economische invloed van de ligging op zich dan vinden ze een verband met groei. Met andere woorden een goede ligging alleen is niet belangrijk. Een land met een slechte ligging en goede instituten doet het goed. Een land met een goede ligging en slechte instituten niet.

Koloniale oorsprong instituten

Menselijk samenleven kan niet zonder instituties, zoals de familie, het bedrijf, de rechtspraak, de handel, et cetera. In al die instituties is een vast patroon van gedragingen en opvattingen ontstaan. Dit vaste patroon vergroot de kans op een positieve opbrengst voor een zo groot mogelijk aantal deelnemers. Het vaste patroon is in feite de verzamelde ervaring van talloze generaties.

Maar waarom bevoordeelt een gunstige ligging goede instituten? De schrijvers zeggen dat deze opmerkelijke uitkomst aanhaakt op een plausibele theorie van D. Acemoglu, S. en J. Robinson over de koloniale oorsprong van ontwikkeling. De 72 bestudeerde landen waren allemaal voormalige kolonies. De Europeanen volgden bij de kolonisatie verschillende strategieën. In Noord-Amerika, Australië en Nieuw Zeeland vestigden zich grote aantallen landverhuizers. Zij richtten instituten op om de privé eigendommen te beschermen en de macht van de staat in de hand te houden. In de grootste delen van Afrika en Latijns Amerika vestigden zich slechts weinig personen en richtten de kolonisten zich op exploiteren van het land: ertsen delven, landbouw voor export en andere winstgevende handel. Minder democratie en minder oog voor eigendomsrechten.

Vestigingsreden

Waarom vestigden de Europeanen zich in Noord-Amerika en niet in Afrika? Door natuurlijke omstandigheden, de tropische ligging, de aanwezige ziekteverwekkers. Waar de sterfte onder landverhuizers laag was door de ligging en het klimaat, stroomden Europeanen naar binnen en zetten goede instituten op. Waar de sterfte hoog was, bleven ze weg en zetten ze slechte instituten op. Deze instituten, goed en slecht, zijn het fundament en het resultaat hiervan is in grote lijnen het inkomenspatroon dat we vandaag zien in de wereld.

Uitdaging

Instituten zijn natuurlijk moeilijker te veranderen dan beleid. Als dat niet zo was en is, zou het erfgoed van de Europese kolonisten niet zolang invloed hebben uitgeoefend. Maar instituten zijn gemakkelijker te veranderen dan de ligging van een land. De echte uitdaging voor ontwikkelingslanden is dan ook om van slechte instituten goede instituten te maken.

Zie ook:

Bron: The Economist October 5th 2002. Economics focus Root of development en Goddienst en rede zijn niet onverzoenlijk door J. Dronkers in de Volkskrant 14 april 2004
Datum laatste wijziging 14 april 2004.