Voor de leeftijdsfase nul tot vijftien jaar leidt in het algemeen de volgende rangorde in de persoonlijke ambities tot een goede ontwikkeling:
Vanaf mijn geboorte zuig ik zoveel mogelijk kennis op. Op mijn vierde heb ik al de helft van de kennis geleerd die ik in mijn hele leven opdoe. Ik leer van nature graag en stel overal vragen over. Mijn nieuwsgierigheid is ongebreideld. Pas als ik door de groep wordt afgeremd en moet voldoen aan regels die ik niet begrijp, slaat mijn nieuwsgierigheid om in apathie. Ik ga dan dagdromen en in mijn eigen fantasiewereld leven. Mijn brein is niet te temmen door regels.
Op school moet ik gehoorzaam zijn en goed kunnen rekenen, lezen en schrijven. Lukt het me om het lezen te automatiseren, dan neem ik veel kennis tot me. Veel vakken zijn eenvoudig, omdat snel kunnen lezen me meer tijd geeft om na te denken over oplossingen. Ben ik heel erg goed, dan verveel ik me. School is herhaling, vaak doen en saaie onderwerpen. Waarom vragen ze nooit iets over de onderwerpen in de krant?
Kan niet goed lezen, dan raak ik achterop. De leerstof is vaak gebaseerd op teksten die ik niet in één keer begrijp. Daar baal ik van. Waarom kunnen ze geen goed lesmateriaal maken zonder woorden? Ik richt me graag op andere zaken dan kennis. Bijvoorbeeld op sport, muziek of spelletjes.
Ik wil graag groeien en groot zijn. Ik wil kunnen lopen, klimmen, fietsen, voetballen, knikkeren, muziek spelen, kleuren, … Niets is leuker dan het meten van mijn lengte. Elke keer ben ik groter. Dat vind ik leuk. Mijn lichaam is zoals het is. Ik kan daar niets aan doen. Soms zit ik boven het gemiddelde. Dat is leuk om te horen. Maar soms zit ik onder het gemiddelde. Dat vind ik niet leuk.
Mijn ouders zien overal gevaar waar ik dat niet zie. Mijn evenwichtsgevoel is veel beter dan dat van mijn ouders, die veel groter zijn. Ik leer met vallen en opstaan. Daar heb ik geen problemen mee. Mijn ouders wel. Die overdreven voorzichtigheid vind ik erg vervelend. Ik ga ervan uit dat ik gezond blijf en dat ik uitgroei tot een normale volwassene. Ben ik ziek, dan word ik weer beter. Een gezond lichaam is voor mij een uitgangspunt waar ik niet over nadenk. Dat verandert pas na het krijgen van een levensbedreigende ziekte of een lichaamsgebrek.
Mijn voortgang in kennis en lichamelijke ontwikkeling vergelijk ik graag met anderen. Mijn competitiedrang is groot. Ik neem elke uitdaging aan en probeer de beste te zijn. Lukt het me niet om beter te zijn, dan wissel ik van groep of richt ik een eigen groep op. Zo behaal ik elke keer succes en krijg ik aanzien.
Van deze statusdrang ben ik me op jonge leeftijd niet bewust. Ik probeer gewoon de beste te zijn door elke keer mijn grenzen op te zoeken. Ben ik de beste, dan vind ik dat gewoon. Ben ik het niet, dan wil ik het worden. In mijn hoofd ben ik de beste voetballer, pianist of brandweerman. Lukt het me niet om de competitie aan te gaan, dan zoek ik andere bezigheden om wel de beste te kunnen zijn. Als ik niet kan meekomen in sport, ga ik bijvoorbeeld veel computerspelletjes spelen. Het is alleen zo jammer dat ze op scholen nooit vragen naar mijn extra vaardigheden. Lukt helemaal niets, dan bedenk ik een smoes om niet elke dag de confrontatie met de groep aan te hoeven gaan.
Mijn identiteit ontleen ik aan mijn lichaam en mijn familie. Mijn vader is … en mijn moeder … Het geeft mij het houvast om de toekomst positief tegemoet te zien. Ik vind dat mijn naam voldoende is om bij iedereen klokken te laten luiden. Dankzij mij functioneren de groepen waarin ik verkeer beter. Ik ontleen er mijn zelfvertrouwen aan.
Het toetreden tot of verlaten van een groep laat mijn identiteit groeien of krimpen. Binnen een groep leid ik uit de reacties van voor mij belangrijke groepsleden af of ik een gewaardeerd groepslid ben. Het liefst handhaaf ik de bestaande situatie. Mijn grootste verandering is de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs. Dat vernietigt mijn levensverhaal, mijn waarde voor de groep en daarmee mijn identiteit. Het duurt een poos voordat ik een plaats heb gekregen in de nieuwe groepen en daar mijn identiteit aan kan ontlenen. Brugpieper zijn is niet je van het. Steun van mijn directe familie, die mijn hele levensloop kent en weet wat ik echt kan, heb ik in deze fase meer dan ooit nodig.
Aantasting van mijn identiteit leidt tot sterke emoties die ik met moeite kan onderdrukken. Is de identiteit te veel aangetast, dan barst ik in woede uit. Een aantasting die niet meer is te veranderen, leidt tot groot verdriet. De toekomst boezemt me dan angst in.
Voor mijn ontwikkeling is samenwerking met andere mensen vereist. Zonder ondersteunde groep ben ik niets en kan ik me niet ontwikkelen. Dit snap ik niet. Daarom staat samenwerking onderaan in mijn prioriteitenlijst als ik succesvol ben. Ben ik de sterkste van de groep, dan zet ik mijn kracht in om mijn positie af te dwingen. Ben ik de zwakste, dan kies ik juist voor samenwerking om mijn plaats veilig te stellen. Door met zwakkeren samen te werken, vergroot ik mijn kans op succes.
Samenwerking maakt dat iedereen zijn eigen talenten kan inzetten voor het groepsbelang. Dit geeft me veel voldoening, maar alleen als mijn eigen plaats in de groep zeker is. Accepteren anderen mijn plaats niet, dan ga ik de concurrentie aan. Soms door op de vuist te gaan, soms door groepsleden tegen elkaar op te zetten, soms door te pesten, soms ...
Mijn ontwikkeling wordt sterk geremd als de groep die mij voorrang geeft - mijn vader, moeder, broers en zusters - wegvalt. Als ik niet de verwachte ondersteuning krijg, komen mijn emoties ongeremd naar buiten.
Vorige pagina Volgende pagina Inhoudsopgave