4.7 Wetten van Beïnvloeding

Net als onze waarneming vereenvoudigen we ook onze beïnvloeding. Hoe eenvoudiger we de beïnvloeding in ons hoofd maken, hoe gemakkelijker we tot uitvoering over gaan. De vereenvoudiging moeten echter wel aan eisen voldoen. Deze eisen noemen we de Wetten van Beïnvloeding. Het zijn wetten en geen regels, omdat ze altijd geldig zijn.

Welke eisen stellen we aan het beschrijven van beïnvloeding? De Wetten van Beïnvloeding delen met de Wetten van Waarneming in de wetten 1 tot en met 5 dezelfde uitgangspunten, maar de uitwerking verschilt op details.

a. Waarnemer

1. De beïnvloeding is beschreven vanuit dezelfde sterveling die de werkelijkheid beïnvloedt.

De beïnvloeding is beschreven vanuit dezelfde ik- of wij-waarnemer. Alleen levensvormen die zich kunnen voortplanten nemen een beslissing om in actie te komen. Welke waarnemer we kiezen, is niet van belang, wel dat het type waarnemer gelijk blijft en duidelijk is beschreven.

Voorwerpen vallen niet onder de Wetten van Beïnvloeding.Voorwerpen vallen niet onder de Wetten van Beïnvloeding. De boodschap uit het voorbeeld van de koning is een voorwerp dat geen beslissingen neemt en valt daardoor niet onder de Wetten van Beïnvloeding.

Ook een dij-waarnemer valt niet onder de Wetten van Beïnvloeding. Een dij-waarnemer is een denkbeeldige waarnemer die zelf geen doel kent en niet kan beïnvloeden. Een dij-waarnemer kan wel beschrijven hoe ik- en wij-waarnemers de wereld kunnen beïnvloeden.

2. Het doel van de beïnvloeding blijft gelijk.

Verandert het doel, dan verandert de beïnvloeding ernaar toe ook. Door de verandering is het niet meer de kortste beschrijving van de beïnvloeding en is daarmee onjuist. Het hebben van een doel is een basisvoorwaarde voor het maken van een route. Zonder doel heeft een route geen ankerpunt en leidt de route nergens naartoe.

Indien de doelen identiek zijn, is het mogelijk om de waarnemerstypen te bundelen. Het gelijke doel vereist dat alle route-kenmerken gelijk zijn.

b. Uitvoerder

3. Een uitvoerder legt de route naar het doel af en is daarmee de persoonsvorm van de routebeschrijving.
Een beïnvloeder voert de routebeschrijving uit en is daarmee de acteur in de beschrijving.

Waarnemingswet 5 bepaalt dat een waarnemer geen deel mag uitmaken van de beschrijvende kenmerken. Bij een beïnvloeding geldt de omgekeerde wet. De uitvoerder is onderdeel van de beschrijving van de route.

Voorwerpen vallen niet onder de Wetten van Beïnvloeding. Stel dat een koning een boodschap op papier van het oosten naar het westen van zijn land laat brengen. De boodschap doorloopt een traject. Tientallen mensen zijn in de weer, soms lopend, soms per paard, soms per trein. Deze mensen nemen beslissingen en vallen daardoor onder de Wetten van Beïnvloeding. De boodschap is een voorwerp dat geen beslissingen neemt en valt daardoor niet onder de Wetten van Beïnvloeding.

Een waarnemingsverband is van andere orde dan beïnvloedingsverband. Beïnvloedt legt naar keuze een koppeling tussen meerdere gebeurtenissen, een waarnemingsverband is een vaste koppeling die geen actie van uitvoerder vereist, bijvoorbeeld zwaartekracht.

c. Route

4. Een beschrijving van de beïnvloeding mag niet zichzelf beschrijven.
Het dubbel vertellen van de beïnvloeding is overbodig. (wet 4). Bovendien kan een lus ontstaan, waardoor we het doel nooit bereiken. Het leidt af van de essentie en hoort daarom niet in de beschrijving thuis.

Dat een beïnvloeding zichzelf niet mag beschrijven lijkt voor de hand te liggen, maar komt in praktijk veel voor. We beleggen een vergadering die gaat over de vorige vergadering die gaat over de vorige … en niet over het doel dat we willen bereiken. Door zichzelf te beschrijven ontstaat een lus die geen begin en eindpunt kent. Een lus is niet de eenvoudigste beschrijving van een beïnvloeding.

5. Alleen stappen die bijdragen aan het bereiken van het doel horen thuis in de beschrijving van de beïnvloeding.
Overbodige informatie leidt af en maakt de beschrijving complexer dan nodig is.

A

ls we discussiëren over planeten dan hebben opmerkingen over de files in Amsterdam geen nut. De opmerkingen horen niet thuis in de discussie, omdat de file geen invloed heeft op de planeten, de grootheden in de discussie. De vraag of het kraanwater via de Rijn of de Maas in ons huis beland, is bij het kiezen van de regendouche onbelangrijk. Het is een detail dat geen invloed uitoefent op de beslissing om een douchekop te kopen. Het hoort daardoor niet thuis in de beschrijving.

Het doorslaggevende criterium is de invloed die een beschouwingseenheid of beïnvloeding heeft op het bereiken van het gewenste doel. Heeft het geen invloed, dan mag het geen onderdeel zijn van de bespiegelingen.

Een route beschrijft op de meeste eenvoudige manier de weg naar een doel. Een knooppunt dat overbodig is, hoort niet thuis in de routebeschrijving. Een knooppunt zonder invloed op de route leidt alleen maar af. Wel of niet gaan koffiedrinken, is doorgaans niet belangrijk in een routebeschrijving.

6. Een beschrijving benoemt de opeenvolgende stappen die nodig zijn om het doel te bereiken.
De volgorde van beïnvloeding is essentieel. Zonder de juiste volgorde kunnen we het doel niet bereiken.

Stel we gaan met de trein naar het strand van Zandvoort vanuit Amersfoort. De volgorde van de beschrijving is eerst treinkaartje kopen, daarna in Amersfoort in de trein stappen, vervolgens in Zandvoort uitstappen en ten slotte naar het strand lopen. Een andere volgorde is niet mogelijk. We kunnen niet eerst uitstappen en daarna instappen. Een verkeerde volgorde maakt de route ongeldig. Een variant hiervan is overlappende stappen. Dit duidt op een foutieve opdeling van de stappen. Overlapping maakt de beschrijving nodeloos ingewikkeld, omdat de eenduidigheid in tijd en plaats verdwijnt.

7. De beschrijving benoemt de knooppunten van de opeenvolgende stappen.

Centraal in de route staan de knooppunten. Knooppunten zijn de beslissingen die de waarnemer moet nemen. Dit kan heel eenvoudig zin – ga naar links als de rivier droog is gevallen en naar rechts als de rivier een woest klokkende watermassa is – of super ingewikkeld – hoe lang moet de raketmotor branden als we in een baan om de maan willen komen.

Elke volgende stap moet aansluiten op de vorige stap. Op elke koppelingspunt beschrijven we de beslissingen in waarneembare termen.

Een beschrijving van de route naar het strand in Zandvoort kan niet bestaan uit: “Ga in Haarlem de Gerard Doustraat in” als het naambordje van de straat niet zichtbaar en meer informatie niet beschikbaar is. De reiziger heeft dan geen informatie om de aansluiting tussen de huidige en volgende stap te maken. Een betere beschrijving is: “Sla vervolgens de tweede straat rechts in.” Maar zelfs dit is niet optimaal. Waarvandaan beginnen we te tellen? Wat is een straat? Telt een inrit naar de opslagloods als straat? Beter is het benoemen van het doorslaggevende kenmerk aan het einde van de voorgaande stap, zoals “Ga bij bloemboetiek «Ons tuintje» met het groene uithangbord naar rechts.”

Een beschrijving benoemt de knooppunten zo concreet mogelijk in waarnemingstermen, tijd en plaats. Bij het beschrijven van de routes benoemen we de informatie zo feitelijk mogelijk. Algemene beschrijvingen verliezen hun betekenis ten gunstige van specifieke beschrijvingen. Een beschrijving van een knooppunt benoemt bovendien de tijd en plaats van de knooppunten.

Beschrijvingen wijzigen in de loop van de tijd doordat andere zaken veranderen. Aardbevingen veranderen de loop van de rivier, oorlogen vernietigen steden, uithangborden worden blauw, enzovoort. Daarom is actueel houden van een routebeschrijving vereist.

d. Hiërarchie

Als we alle beïnvloedingsroutes geheel uitschrijven, dan verdrinken we in de details. We vereenvoudigen de routes zoveel mogelijk door een hiërarchie aan te brengen. We gaan vanuit Amsterdam per auto naar Rome via Brussel, Parijs en Milaan. We benoemen niet alle afslagen, die we nemen om in Rome aan te komen. De hoeveelheid aanwijzingen zou ons simpelweg overweldigen. Eenmaal op reis ontkomen we echter niet aan de details. Op elk kruispunt moeten we een beslissing nemen om de route te vervolgen. We ontkomen hierdoor niet aan een gelaagde opbouw van de routebeschrijving. Aan welke eisen moet deze gelaagde opbouw voldoen?

8. Routes zijn alleen in een hiërarchie te plaatsen als de onderliggende route hetzelfde begin en eindpunt heeft als een stap in de bovenliggende route. Routes zijn alleen in een hiërarchie te plaatsen als de begin- en eind-knooppunten gelijk zijn. Op een laag zijn correcte routes ‘samenvattingen’ van de onderliggende routes.

We gaan met de auto naar Rome vanuit Amsterdam. We kiezen een route via Parijs. Hoe komen we vanuit Amsterdam in Parijs? We kunnen rijden via Brussel of Gent. Dit detail is niet van belang, zolang de route vertrekt en aankomt op hetzelfde punt als de bovenliggende routebeschrijving, dus aankomt in Parijs. Wet 6 dwingt wel af dat de aansluitende detailroute begint op het eindpunt van de voorgaande detailroute naar Parijs. Een ander voorbeeld. We plaatsen een koelkast in een keuken. De bovenliggende route is het installeren van de koelkast. De afmetingen en stroomaansluitingen moeten aansluiten bij die van keuken. Wat we verder moeten doen om de koelkast te plaatsen, ligt op een onderliggend niveau, zoals de koelkast uit de doos halen en de laden plaatsen. We kunnen de laden niet in de koelkast zetten als de koelkast nog in de verpakking zit. Wet 8 lijkt vanzelfsprekend voor tastbare voorwerpen, maar is het niet voor denkbeeldige routes, bijvoorbeeld gedragstheorieën.

Knooppunten beschrijven we zo beeldend mogelijk om het waarnemen van de doorslaggevende kenmerken te vergemakkelijken en de juiste route te kiezen. Het beschrijven van knooppunten is algemene termen – blijf op de juiste weg – is zinloos bij het nemen van een beslissing. Alleen termen met een onderscheidende betekenis bij het nemen van een beslissing beschrijven wel.

Wet acht zorgt dat bovenliggende routes meer tijd omvatten dan de onderliggende.

Een route zet alle stappen in de juiste volgorde. Elke stap volgt op een voorafgaande stap. Zonder deze op elkaar volgende stappen komen we niet bij het gekozen doel. Alle activiteiten tegelijkertijd door dezelfde persoon laten uitvoeren, is fysiek onmogelijk.1 Omdat een grote tijdvak meer activiteiten omvat, is een kleinere tijdspanne ondergeschikt aan een grotere. Voldoen we niet aan deze wet, dan zijn de knooppunten in tijd niet op elkaar aan te sluiten. Een seconde ligt in een routebeschrijving onder een jaar. We maken een vliegreis naar Kaapstad in Zuid-Afrika. De wandelroute op het vliegveld ligt als beschrijvingslaag onder de gehele vliegtocht naar Kaapstad die langer duurt en de gehele route beschrijft.

Wet acht zorgt ook dat bovenliggende routes een groter gebied beschrijven dan de onderliggende.

Een kleine ruimte is ondergeschikt aan een grote ruimte, omdat de knooppunten anders niet op elkaar aan te sluiten zijn. Een grote ruimte past simpelweg niet in een kleinere ruimte. Friesland past in Nederland, maar Europa niet in Nederland.

9. Bovenschikking heeft voorrang op nevenschikking.

Bij het bepalen van de volgorde van routes hebben aansluitende knooppunten die een doorslaggevende werking hebben voorrang op knooppunten met gelijke invloed.

Bij voorkeur vereenvoudigen we de route zoveel mogelijk.
We rijden met de auto van Amsterdam naar Rome. Dit kan via Luxemburg, maar ook via Stuttgart. De route via Luxemburg of Stuttgart is onderschikkend en is naar believen te veranderen, zolang we voldoen aan wet 8, dus vertrekken uit Amsterdam en aankomen in Rome.

Wet 9 benadrukt het belang van een eenvoudige beschrijving. Een eenvoudige route is gemakkelijker te onthouden en te begrijpen dan een uitgebreide beschrijving. We kiezen daarom bij voorkeur voor de kortst mogelijke weergave.

X Wetten van Beïnvloeding Hiërarchie Route Uitvoerder Waarnemer 1. Eén type waarnemer (ik, wij of dij) 2. Eén gelijkblijvend doel 3. Een sterveling legt de route af 4. Mag niet zichzelf beschrijven 5. Alleen stappen die leiden tot het doel 6. Stappen volgen elkaar op 7. Knooppunten van stappen sluiten op elkaar aan 8. Begin- en eindpunt onder- liggende laag gelijk aan stap bovenliggende laag 9. Bovenschikking heeft prioriteit

Het is mogelijk om aanvullende eisen te stellen, zoals SMART: specifiek, meetbaar, bereikbaar, realistisch, tijdig. Dit zijn doeltreffendheids- en doelmatigheidseisen, maar geen dwingende route-eisen. We kunnen prima het doel bereiken op zeer verschillende manieren. We kunnen kruipend, hinkelend, wandelend, hardlopend en sprintend naar het station gaan. De route verandert niet, wel het gemak en snelheid waarmee we het station bereiken. Dit is voor de beschrijving niet belangrijk. Alleen de route telt. Pas als het transportmiddel de route verandert, is het van doorslaggevende betekenis. We gaan naar Rome met de benenwagen, op de fiets, met de trein, met de auto of met het vliegtuig. Daardoor verandert de route. Elk vervoermiddel heeft zijn eigen voor- en nadelen in termen van geld en tijd, maar dat is in de routebeschrijving niet van belang. Wel dat de exacte route verandert.

Naar volgende pagina Naar inhoudsopgave editie 2024