17.8 Achterkleinkinderen 80 – 115 jaar

Bereik ik de gezegende leeftijd van 80 jaar, dan zit ik in de derde helft van mijn leven. Het autodigma dat vaak voorkomt, is dan:

  1. Identiteit – levensverhaal voorop.
  2. Lichaam – aftakeling feitelijk accepteren / dood uit willen stellen.
  3. Status – vasthouden van eigen positie.
  4. Samenwerking – het beste met kleinkinderen voorhebben.
  5. Kennis – alleen voor ontspanning.

Identiteit – levensverhaal vertellen

De jaren verstrijken sneller en sneller. Mijn toekomst is er een van aftakeling. Deze neergang ga ik te lijf met het vertellen van mijn verleden, mijn levensverhaal, aan iedereen om me heen. Of ze nu willen luisteren of niet. Ik vertel het gewoon. Mijn reis door het leven was bijzonder, vol gevaar, vol uitdagingen, en ik heb er het beste van gemaakt. Alle vervelende gebeurtenissen zijn door mijn brein vergeten. Alleen mijn succes staat in mijn geheugen gegrift. Door vast te houden aan de oude gewoonten en gebruiken, blijft mijn levensverhaal betekenis houden. Jonge mensen in al hun welvaart, snappen niet welke offers mijn generatie heeft gebracht om de huidige maatschappij mogelijk te maken. Waar moet het met deze wereld naartoe?

Mijn zelfvertrouwen ontleen ik vooral aan mijn prachtige kleinkinderen en achterkleinkinderen. Zij vormen de toekomst. Als ik aan hen denk, dan komt het wel goed met de maatschappij. Was iedereen maar zoals zij. Alleen de schoonfamilie van mijn eigen kinderen, die snapt er niets van.

Aantasting van mijn identiteit door onbetamelijk gedrag of aantasting van mijn symbolen sta ik niet toe. Ik barst dan in woede uit. Wie denken ze wel dat ze voor zich hebben? Ik ben echt blij als ik de aandacht krijg die bij me hoort. Laat duidelijk zijn dat niemand, en dan ook niemand, mijn levensverhaal en mijn identiteit van me kan afpakken. Ik ben wie ik ben.

Lichaam – aftakeling feitelijk accepteren / dood uit willen stellen

Mijn lichaam laat me steeds meer in de steek. Mijn ogen hebben steeds meer licht nodig om iets te zien. De buren klagen over geluidsoverlast van de televisie. Het eten smaakt steeds minder. De kamertemperatuur is altijd aan de lage kant. Brrr. Ik heb steeds meer hulp nodig om de dag door te komen. Van mijn eigen kinderen ervaar ik dit als liefde en betrokkenheid. Van vreemden zie ik het meer als betutteling. Hoe hou ik dit vol? Welke toekomst ligt nog voor me? Wil ik dit leven wel?

Aan de andere kant valt het me moeilijk om de naderende dood te accepteren. Kan de wereld wel zonder mij? Straks is het mijn beurt en wat gebeurt er dan? Mijn eigen kijk op het leven na de dood maakt of breekt het aanvaarden van het onvermijdelijke. Ga ik de strijd aan, dan vecht ik tot het laatst om zo lang mogelijk te leven. Vind ik dat mijn levensbestemming bereikt is, dan leg ik me neer bij het levenslot. Ik minimaliseer mijn inspanningen.

Status – vasthouden van positie

Status is voor mij alleen van belang zolang het mijn levensverhaal ondersteunt. Mijn status ondersteunt mijn identiteit. Daarbuiten geef ik toe dat ik niet overal de beste meer in ben. Ik hoef niet meer te presteren en kan daardoor meer genieten van het leven, voor zover het lichaam me dat toestaat. Tasten mijn lichamelijke beperkingen mijn status aan, dan krijgt mijn status voorrang. Ons soort mensen gebruikt geen rollator. Wat moeten de anderen wel niet denken?

Mijn status sneuvelt pas als mijn geheugen me vergaand in de steek heeft gelaten.

Samenwerking – het beste met kleinkinderen voorhebben.

Samenwerking is prima, zolang het gericht is op mij en mijn kleinkinderen. Mijn kleinkinderen gaan voor alles en kunnen nauwelijks kwaad doen. Alleen als ze de basisfatsoensregels overtreden, kunnen ze op mijn afkeuring rekenen. Samenwerking met anderen is prima, zolang ik in het middelpunt sta.

Gelukkig accepteert mijn omgeving dat ik niets meer hoef te doen. Dat is niet goed voor mij, maar ik vind het wel goed zo. Laat anderen nu maar zorgen, ik heb dat lang genoeg gedaan.

Mijn oude vrienden en bekenden zijn altijd welkom. Alleen komen ze nooit naar mij. Daarom kijk ik uit naar de komst van mijn kinderen en kleinkinderen, die veel trouwer zijn.

Kennis – is niet meer van belang.

Mijn geheugen laat me steeds meer in de steek. Nieuwe informatie kan ik met moeite onthouden. Al de moderne hulpmiddelen zijn niets voor mij. Zo deden we het vroeger niet. Vroeger was alles beter. De wereld gaat te snel. Ik kijk naar het journaal en lees de krant, maar snap er niets meer van. Spelletjes op televisie zijn leuk. Daar kan ik me in verplaatsen en denken dat ik de winnaar ben. Voor de rest vertrouw ik op mijn kinderen en mijn naasten die voor me zorgen.

Kennis is niet meer belangrijk. Het ontlokt alleen emotie als ik volgens mijn kinderen een deel van mijn levensverhaal ben vergeten. Dat stemt me droevig. Zo vervliegt alles waar ik voor sta.

Vorige pagina Volgende pagina Inhoudsopgave

Comments

Loading...