17.9 Fasen in hersenontwikkeling

De leeftijdsfasen van het autodigma zijn afgeleid van het krijgen en opvoeden van kinderen. Een andere benadering is de fasen af te leiden van de ontwikkeling van de structuur van hersennetwerken. Deze ontwikkelen zich niet lineair, maar kennen vier duidelijke keerpunten rond de leeftijden van 9, 32, 66 en 83 jaar.1 Deze markeren vijf “tijdperken” van hersenontwikkeling en -veroudering, waarin de organisatie van het denken verandert.

De vijf tijdperken van hersenontwikkeling zijn volgens deze benadering:

  • Vroege kindertijd (0–9)
    Snelle groei en verbindingen tussen sensorische en motorische gebieden.
  • Adolescentie tot vroege volwassenheid (9–32)
    Hersenen reorganiseren om hogere cognitieve functies (planning, sociale cognitie) te ondersteunen.
  • Volwassen stabiliteit (32–66)
    De netwerkstructuur is relatief stabiel en optimaal voor complexe taken.
  • Vroege veroudering (66–83)
    Afname van doelmatigheid van interne processen, kwetsbaarheid voor cognitieve achteruitgang.
  • Late veroudering (83+)
    Sterke afname van integratie; netwerken worden gefragmenteerd

De hersenen schakelen van snelle groei over op reorganisatie rond het 9de jaar. Rond het 32e jaar zijn de netwerken volledig geïntegreerd en ondersteunen ze complexe denkfuncties. Rond het 66e jaar vermindert de aanpasbaarheid en gaan delen minder goed met elkaar communiceren. Rond het 83e jaar verliezen de hersenen hun integratie en daardoor gaan de denkprocessen achteruit.

Deze veranderingen zijn biologisch noodzakelijk: in de jeugd voor groei en reorganisatie, in volwassenheid voor stabiliteit, en op latere leeftijd door onvermijdelijke verouderingsprocessen.

Hoewel we kunnen discussiëren over de exacte leeftijden waarop denkprocessen veranderen, is het duidelijk dat het denken vanuit ambities en het statistisch indelen van de hersenstructuren elkaar goed aanvullen.

Vorige pagina Volgende pagina Inhoudsopgave

Comments

Loading...