Uit de analyse komen drie motieven naar voren die de groep oplegt aan haar leden over de ambitie Lichaam. Ze krijgen ter onderscheid hiervan de naam bestaansmotieven. Ze zijn gericht op het overleven als groep.
Het eerste motief is het krijgen en houden van een gezond lichaam. Gezonde personen vormen de basis van sterke groepen. Sterke groepen beslissen zelf over hun nageslacht. Groepsleden zijn alleen gewaardeerd als ze gezonde kinderen op de wereld zetten die het voortbestaan van de groep waarborgen. Alleen dan is een groepslid van voldoende waarde en krijgt hij ondersteuning van de groep. Overtreding van deze regel leidt tot uitsluiting. Mannen zonder kinderen op bijvoorbeeld Bali zijn paria's. Homo's worden nog steeds vrijwel overal als verschoppelingen behandeld. De pastoor gaat een herderlijk gesprek aan om de gelovigen op te roepen om meer kinderen te verwekken. Alleen dan is de gelovige een gewaardeerd lid van de gemeenschap.
Het tweede groepsmotief is het gezond houden van het lichaam. Dit is een voorwaarde voor de groep om te blijven bestaan. Alleen als haar leden gezond genoeg zijn om bij te dragen aan het geheel, is het voortbestaan van de groep zeker. Gezondheid is een collectieve noodzaak. Daarom ontwikkelen groepen — van stammen tot moderne samenlevingen — regels, rituelen en normen die het lichaam beschermen tegen ziekte, uitputting en verval. Groepen stimuleren dit gedrag door bijvoorbeeld verplichte rust (feestdagen), hygiëneregels zoals koosjer en halal, en taboes rond de doden. Hoewel deze regels vaak religieus of cultureel worden geïnterpreteerd, hebben ze een duidelijke functie: het beschermen van de groep tegen ziekte. Naast het voorkomen van ziektes is ook het verzamelen van voedsel en water belangrijk. Het gaat hierbij niet alleen om eten, maar om zekerheid: de garantie dat het lichaam morgen ook kan functioneren. Groepen stimuleren daarom gedrag zoals voedsel delen binnen de groep en voorraden aanleggen. Dit gedrag versterkt de groep als geheel. Een groep met voldoende voedsel is stabieler, minder conflictgevoelig en beter in staat om te vernieuwen.
In veel omgevingen is voedsel niet constant beschikbaar. Daarom hebben we een diepgewortelde drang om te eten wanneer er eten is. Tijdens overvloed slaat ons lichaam reserves op en maken we de kans op overleven tijdens schaarste groter. Dit gedrag is een biologische strategie, geen gebrek aan discipline. Een groep waarvan de leden reserves hebben, is beter bestand tegen moeilijke tijden.
Het derde groepsmotief draait om een oeroude opdracht: zorg dat je lichaam inzetbaar blijft. Motief 3 richt zich op het vermogen om te bewegen, te reageren, te dragen, te jagen, te vluchten en te vechten. Een groep kan alleen voortbestaan wanneer haar leden fysiek in staat zijn om bij te dragen aan het gezamenlijke doel.
Overleven vereiste voortdurende activiteit: lopen, tillen, bouwen, verzamelen, jagen, verdedigen, vluchten. Daarom verwachten groepen dat hun leden fit, alert en inzetbaar blijven. In vroegere samenlevingen was fitheid direct gekoppeld aan overlevingskansen. Wie niet fit was, kon niet jagen, niet vechten, niet dragen en niet bouwen. Daarom ontwikkelden groepen normen die fitheid bevorderen, zoals rituelen van fysieke training (ochtendtraining, rituele dansen), spelvormen die kracht en snelheid ontwikkelen (touwtrekken, tikkertje) en sociale waardering voor inzet en uithoudingsvermogen (sportcompetities, eretitels).
Aan de andere kant verspilt een groep geen energie. De groep besteedt zo weinig mogelijk energie aan overbodige zaken. De groep verwacht dat de leden geen onnodige risico’s nemen, geen energie verspillen aan zinloze conflicten, geen overbodige bewegingen maken, taken slim verdelen, rust nemen wanneer dat verstandig is. Een groep die haar energie verspilt, verliest haar overlevingsvoordeel.
Vorige pagina Volgende pagina Inhoudsopgave