Rond mijn vijfenvijftigste jaar zijn mijn kinderen zelfstandig en zitten de eerste kleinkinderen bij me op schoot. Mijn aandacht verschuift naar het toekomstperspectief van de kleinkinderen. Mijn autodigma is dan vaak:
Proefondervindelijk heb ik ervaren dat mijn succes afhankelijk is van de groepen waarin ik functioneer. Soms ben ik de gevierde held, soms ben ik de pisang. Elke groep kent zijn eigen doelstellingen en dynamiek waar ik niet altijd achter kan staan. Ik probeer op een constructieve manier met de groepsleden om te gaan, maar die delen niet altijd mijn denkbeelden. Mijn eigen belang maak ik ondergeschikt aan dat van de groep, zolang de groepsleden daarvoor waardering laten blijken. Ik schiet graag goed op met alle groepsleden. Ik schik me naar de groepswens om gewaardeerd lid te blijven. Ik kan daarom onvoldoende sturing geven aan de groepsprocessen. Ik verbaas me vaak over het gedrag van groepsleden die eigenbelang vooropzetten en nooit de handen uit de mouwen steken om de groep vooruit te helpen.
Soms wil ik te veel samenwerken en neem ik aan dat de andere groepsleden ook het groepsbelang vooropzetten. Dan kom ik van een koude kermis thuis. Ik ervaar dat anderen gaan voor hun eigen belang en niet voor het groepsbelang. Ze gaan voor hun eigen Status en Identiteit. Door mij hier bewust van te zijn en dit te benoemen, kan ik deze situaties positief beïnvloeden. Door het doel van samenwerking prioriteit te geven, kan ik iedereen laten inzien dat ieders belang gediend is bij het groepsbelang. Sta ik niet meer achter het groepsdoel, dan treed ik terug en maak ik me los van de groep. Het aantal groepen waarvan ik lid ben, daalt daardoor. Zeker als mijn oude vrienden ook afscheid nemen.
Het vertrouwen in de toekomst ontleen ik vooral aan de groepen waar ik lid van ben en de rol die ik in deze groepen speel. De groepen maken mij bijzonder en anders dan anderen. De symbolen van de groep draag ik met trots. Ik vertrouw erop dat groepsleden mij helpen in moeilijke tijden. Mijn eigen rol versterkt dit vertrouwen. Ik vind dat ik een voorbeeld ben voor andere mensen. Als iedereen denkt en handelt zoals ik, ziet de wereld er een stuk beter uit.
De groepen waarvan ik lid ben, geven me de ondergrond om mijn zelfvertrouwen op te bouwen. Zowel samenwerking binnen mijn groepen als afwijzing van andere groepen versterkt mijn Identiteit. Hoe groter de waardering is die ik ontvang voor mijn prestaties, hoe steviger mijn identiteit is geworteld.
Ontvang ik geen waardering, omdat de nieuwe generatie mijn ideeën en mijn inzet afwijst, dan stort een deel van het fundament van mijn identiteit in. Ik ga dan twijfelen aan mijn denkbeelden en plaats me het liefst op de achtergrond. Ik ventileer mijn denkbeelden liever één op één met medestanders dan in de groep.
Mijn lichaam speelt geen voorname rol meer voor de ambitie Identiteit. Ik kan toch niet meer op tegen de jonge garde. Ik ga die wedstrijd niet meer aan.
Ik vind dat ik voldoende kennis heb om goed te functioneren in de maatschappij. Ik weet waar Abraham de mosterd haalt en wijd niet meer tijd aan het opdoen van nieuwe kennis dan strikt vereist. 'Koppensnellen' in de krant of op internet vind ik leuk. Ik ga graag mee met de mening van de groep en probeer die mening volledig te begrijpen. Ik zie niet de lol van nieuwe kennis in, zeker als die abstract is. Geef mij maar daadwerkelijke toepassingen.
Hecht ik wel veel waarde aan kennis, dan zet ik kennis vaak voorop, omdat ik weet dat dit uiteindelijk tot resultaat leidt. Meer kennis maakt het gemakkelijker om nieuwe kennis te vergaren. Dit is een zichzelf versterkend proces. Meer kennis maakt dat ik andere keuzes maak dan de groep. Ik ben dan ook vaak de voortrekker om veranderingen door te voeren. Ik verbaas me regelmatig over het gebrek aan basiskennis in de samenleving. Onwetendheid en onverschilligheid liggen volgens mij dicht bij elkaar.
Lees ik niet graag, dan hecht ik vaak geen belang aan mijn ambitie Kennis. Ik heb met kennis nooit veel succes gehad. Laat mij de handen maar uit de mouwen steken en genieten van het leven. Ben ik uitgerust, dan ben ik lichamelijk actief en praat ik veel over van alles en nog wat. Heb ik al mijn energie verbruikt, dan laat ik mezelf graag vermaken voor de televisie of op internet. Kom niet aan met documentaires en andere programma’s die mij bijscholen. Ik ga voor ontspanning. Het leven is al zo vermoeiend. Ik vind dat ik al genoeg levenswijsheid heb. Alleen vragen anderen daar nooit om. Wat ik extra moet weten, vraag ik wel aan anderen.
Sta ik hoog in de maatschappelijke rangorde, dan koester ik mijn status. Maar ik begrijp ook dat de status afloopt; mijn voortrekkende rol wordt minder naarmate ik ouder word. Ik benut het verminderde belang van status door mijn talenten optimaal aan te wenden: niet meer de competitie aan te gaan, maar anderen uit te dagen en te stimuleren. Hierdoor geniet ik meer van mijn acties. Ik ben daardoor gepast trots op mijn acties binnen de grenzen van mijn mogelijkheden. Geen springplank op tien meter hoogte, maar een lekkere frisse duik in het water waar ik zelf van geniet. Door mijn eigen statusgevoel om te zetten in plezier voor mezelf, verlaag ik mijn stress en maak ik het samenwerken met anderen veel leuker. Dit geeft me uiteindelijk weer meer status terug van de groepsleden die mijn positieve instelling waarderen.
Sta ik laag op de maatschappelijke ladder, dan hecht de groep vaak aan andere zaken dan ik. Ik krijg niet of nauwelijks waardering voor mijn inzet en ontvang er ook geen redelijke beloning voor. Ik krijg minder dan ik verdien, vind ik zelf. Ik doe niet mee aan de wedstrijd om meer aanzien te krijgen. Dit voegt niets toe aan mijn levensgeluk. De groep is de groep en ik ben ik. Punt. Toch knaagt de lage groepswaardering wel aan mij en ik vraag me regelmatig af hoe ik meer status toegeschreven kan krijgen.
Ik vind mijn lichaam slechts een verpakking. Een drager van mijn gedachten. Die zijn veel belangrijker. Het gaat om mijn binnenkant, niet om mijn buitenkant. Ik aanvaard dat mijn gedrag leidt tot lichamelijke klachten. Die los ik elke keer wel op. Zo belangrijk is dat niet. Een beetje meer aandacht voor mijn lichaam zou goed zijn, maar tja … hoe motiveer ik mezelf?
Alleen de acceptatie dat ik niet meer de aantrekkelijkste en sterkste ben, zorgt voor ontspanning en een rijker leven. Het niet aangaan van de competitie geeft mij de kans om mijn andere ambities op de voorgrond te zetten. Dit vereist een nieuwe kijk op het leven die ik alleen stap voor stap kan omarmen. Heb ik de nieuwe zienswijze aanvaard, dan krijg ik meer innerlijke rust. Niet de competitie staat dan centraal, maar het beleven van de rijkdom van het menselijk leven.
Vorige pagina Volgende pagina Inhoudsopgave