Filosofen en Het Raamwerk

1. Inleiding

Door de eeuwen heen bestuderen filosofen de geldigheid en betekenis van elke overtuiging die de mens bedenkt. Door vragen te stellen, probeerden ze twijfel op te roepen en zichzelf en anderen aan het denken te zetten.

Een belangrijk onderwerp in de filosofie is de zingeving en het gedrag van de mens. Het Raamwerk bestrijkt dezelfde thema's. Dit roept de vraag op in hoeverre de ideeën die in de filosofie over zingeving en gedrag zijn ontwikkeld, overeenkomen met Het Raamwerk. Anders gezegd: is het mogelijk om de ideeën van de grote filosofen te plaatsen in het denkraam van Het Raamwerk?

Deze vraag leidt tot aanvullende vragen. In hoeverre zijn de antwoorden die Het Raamwerk geeft vanuit de filosofie gezien nieuw? In hoeverre onderbouwen de ideeën uit de filosofie de 3DE5-redenatie of in hoeverre zijn ze daar strijdig mee? Komen in de filosofie bij deze thema's dezelfde aspecten en componenten aan de orde als in Het Raamwerk of zijn er aspecten die Het Raamwerk niet behandelt? Of, ook mogelijk, behandelt Het Raamwerk aspecten waar in de filosofie niet over is nagedacht?

Om antwoorden op deze vragen te vinden, onderzocht ik de denkbeelden in de filosofie in de loop van de geschiedenis en de ontwikkeling daarin. In dit betoog komen de ideeën van ruim twintig filosofen aan de orde, waarbij ik me concentreer ik op de basisvragen rond het menselijk denken.1 Ik sluit af met een samenvatting waarin de filosofen al dan niet een plaats krijgen in Het Raamwerk.

2 Plato (427 – 347 v.Chr.)

Volgens Plato bestaat er een eeuwig, objectief en universeel idee van rechtvaardigheid. Hierdoor zijn we het in ethisch of politiek opzicht met elkaar eens en vormen we een samenleving.

Plato bedacht dat dingen die iets met elkaar gemeen hebben tot dezelfde soort of klasse behoren. We kunnen echter niet de idee of het concept van elk ding zien. De werkelijkheid en ons denken over de werkelijkheid hoort tot verschillende klassen. Ideeën kunnen we slechts waarnemen met ‘het oog van de rede’. Alleen door na te denken en te onderzoeken kunnen we vaststellen wat de werkelijkheid is en wat niet.

Griekse denkers beschouwden het bestaan van goden als onbelangrijk voor de wereld van mensen. De opvatting is vanaf de vroegste tijd geweest: wij mensen scheppen goden naar ons beeld en onze gelijkenis, en niet andersom. Plato beroept zich wel op goden. Eerder als theoloog dan als gelovige. Theologen geloven dat er een bepaald goddelijk plan bestaat, een zin, een uiteindelijk doel waar levende wezens naar streven en waar maatschappelijke instituties op gericht moeten zijn. Theologen zoeken vooral naar het diepste fundament en het doel ervan.

3 Aristoteles (384 - 322 v.Chr.)

Aristoteles had een meer praktische geest dan Plato, wiens ideeën hij niet meer dan abstracties vond. Alleen concrete dingen bestaan en zijn kenbaar. Universele ideeën zijn niet meer dan abstracties die het verstand schept op basis van concrete dingen. Zowel Plato als Aristoteles vonden dat alle dingen een essentie hebben. Plato zocht de essentie van «idee» vooral in het niet waarneembare. Aristoteles sprak van «wezen of essentie» en zocht de werkelijkheid in het zintuiglijk waarneembare. Aristoteles geloofde niet in een aparte wereld van ideeën, maar betoogde dat concepten en ideeën juist in onze eigen wereld bestaan. Door op zoek te gaan naar overeenkomsten tussen concrete objecten, schept het verstand concepten. Concepten moeten we niet zoeken in het bovenzinnelijke domein, maar in ons eigen denkvermogen. Concepten zijn een projectie van ons eigen denkvermogen.

Aristoteles onderkent vier oorzaken voor veranderingen:

  • de bewegende oorzaak: datgene dat de verandering veroorzaakt;
  • de materiële oorzaak: de materie waaruit het object bestaat;
  • de formele oorzaak: de vorm van het object;
  • de finale oorzaak: het doel van de verandering.

Aristoteles denkt dat we elk natuurlijk proces kunnen verklaren door steeds weer methodisch af te vragen wat de oorzaken zijn.

Een kernprobleem voor Aristoteles was de vraag waar de mens naar moet streven in de wereld. Alles wat we doen, is instrumenteel, is gericht op een duidelijk doel. Maar wat komt daarna? Het antwoord hierop van Aristoteles is dat we op zoek zijn naar geluk en dat geluk in essentie vrijheid is. Het gaat niet om het vervullen van plichten, maar om het verkrijgen van vrijheid. Alles wat ons sterker maakt, vergroot ons vermogen om gelukkiger en vrij te worden. Elke situatie vereist een andere afweging. Hierover is niet iets algemeens te zeggen. Deugdzaamheid is een gulden middenweg tussen overdaad en een tekort en leidt tot geluk.

4 Thomas Hobbes (1588 – 1679)

Thomas Hobbes was de eerste grote denker die zich bezighield met één onderwerp: de politieke filosofie. Hij zocht naar een manier waarop mensen vreedzaam met elkaar kunnen samenleven zonder elkaar schade te berokkenen en zonder elkaar voortdurend te bestrijden. Het doel van Hobbes is het overwinnen van de angst, van het wantrouwen, van de strijd tussen mensen – burgeroorlog in Engeland – zodat de mensen met elkaar gaan samenwerken voor een gemeenschappelijk belang. De kernvraag van Hobbes is hoeveel vrijheid ieder individu moet hebben binnen een staat. Zijn antwoord is: zoveel vrijheid als nodig om goed en ongestoord te leven en anderen dié vrijheid wordt afgenomen die hen gevaarlijk maakt.

In het wereldbeeld van Hobbes bestaan alleen materiële lichamen. Oplossingen voor complexe problemen in de menselijke samenleving vinden we niet door op zoek te gaan naar antwoorden buiten de materiële wereld, en al helemaal niet door ons te baseren op een ziel die ergens anders vandaan komt dan van de materiële wereld.

Hobbes vindt dat de mens vooral gedreven wordt door de wil om te blijven voortbestaan en om genot te ervaren. Hieruit komt het streven naar nieuw bezit en de wil om verkregen bezig te behouden. Daardoor staan mensen tegenover elkaar wat leidt tot onderlinge strijd en vernietiging. De mens is daarin gelijk aan beesten die ook zoeken naar veiligheid en gezelschap.

Hobbes vindt dat de sociale filosofie net als de natuurfilosofie op zoek moet gaan naar coherente en systematische kennis van oorzakelijke verbanden. Als alle oorzaken bekend zijn, zijn de gevolgen wetmatig af te leiden. De gehele werkelijkheid beschouwde hij als een mechanisme dat van tevoren volledig vastligt.

Hobbes brak openlijk met elke theologische, natuurlijke of traditionele rechtvaardigheid van politieke macht. Soevereiniteit is gebaseerd op een overeenkomst tussen mensen die veiligheid en welvaart nastreven. Dit is een overeenkomst tussen mensen waarbij goddelijke krachten geen enkele rol spelen. Hij sloot zich hiermee aan bij de denkbeelden van de Griekse denkers Protagoras en Democritus.

5 René Descartes (1596 – 1650)

Kernpunt van Descartes is de scheiding van geest en materie. Materie is dat wat de geest moeten leren kennen. De geest is bestemd om in het stoffelijke te leven. De materiële werkelijkheid is echter gescheiden van de wereld van de geest. Een wereld waarin ten minste één zekerheid bestaat: die van het denken. «Cogito ergo sum, Ik denk, dus ik besta». Dit benadrukt het bestaan van een «ik» en van een denken dat zelfbewust is en dat beschikt over duidelijk aangeboren ideeën over het goddelijke en het herkennen van de waarheid.

In de visie van Descartes bepaalt onze geest wat bestaat, wat waar is en wat niet waar is. Met hem ontstond het idealisme en de wetenschappelijke zoektocht naar kennis.

6 John Locke (1632 – 1704)

Lock verwierp de idee van aangeboren kennis resoluut. Hij was ervan overtuigd dat er geen andere bronnen van kennis bestaan dan onze zintuigen en waarnemingen. Hij beseft dat niet alle eigenschappen van objecten van gelijke orde zijn. Hij onderscheidde primaire en secundaire eigenschappen. Primaire eigenschappen beschrijven het object met vorm, uitgebreidheid en stevigheid. Secundaire eigenschappen beschrijven de waarneming, bijvoorbeeld een zoete smaak. Op deze manier ontstaat in ons verstand de zogeheten «enkelvoudige ideeën». Ons verstand gaat dingen vergelijken, onderscheiden, combineren en abstraheren. Dit geeft «samengestelde ideeën». Bij de geboorte zijn we een onbeschreven blad, omdat we nog geen ideeën hebben.

Hiernaast zaagde Locke aan de poten van de hele metafysica (het bovennatuurlijke) door te stellen dat mensen metafysische concepten zelf bedenken. Het zijn concepten die we zelf hebben geconstrueerd om onze waarnemingen te ordenen. De concepten zelf kunnen we derhalve niet waarnemen.

Morele principes zijn niet aangeboren. Anders is het niet mogelijk om hierover van mening te verschillen. Morele en ethische principes kennen in elke tijd en samenleving een andere inhoud en zijn dus slechts afspraken tussen mensen. Ieder mens is van nature vrij en gelijk. Het is een daad van agressie om een andere persoon te onderwerpen. Bij afspraak bepalen mensen wetten en regels om schendingen van rechten van anderen te bestraffen, en wie dit mag doen. Deze opvattingen vormen de basis voor de democratische rechtstaat. Locke is één van de grondleggers van algemene rechten van de mens. Zijn denkbeelden over tolerantie zijn in de loop van de geschiedenis zeer belangrijk gebleken.

7 Baruch Spinoza (1632 – 1677)

Spinoza verklaarde gedrag louter op basis van de rede. Hij betoogde dat alles weliswaar door God was bepaald, maar dat er van een goddelijk plan of van het bovennatuurlijke geen sprake kon zijn. Spinoza zag materie en denken uiteindelijk niet als twee aparte werkelijkheden, maar als twee gezichtspunten. De werkelijkheid noemde hij natuur. God was bij Spinoza gelijk aan de natuur. Alles is God. God is dus geen persoon. Binnen de natuur wordt ons leven bepaald door onze geest. Het is de bestemming van de mens om op zoek te gaan naar de dingen die passen bij zijn natuur, bij de manier waarop wij mensen in het grote goddelijke geheel zijn opgenomen. Spinoza was op zoek naar de volmaakte kennis als invulling van het godsbesef.

Emoties zijn een onlosmakelijk deel van de menselijke natuur. Ze zijn volkomen natuurlijk en moeten aanvaard en begrepen worden. Emoties zijn geen zonden of ondeugden. Drie fundamentele emoties bepalen de mate van goed en kwaad in ons handelen: verlangen, blijdschap en droefheid. Het verstand streeft naar verzoening en samenwerking. De wil om veel materiële zaken te bezitten, leidt onvermijdelijk tot haat en jaloezie. Het hoogste verlangen is het verlangen naar rationele zelfkennis. Pas daarna voelen we ware vreugde, stabiele, onkwetsbare, blijvende blijdschap.

«Mensen vullen elkaar binnen een ratio politiek aan. De ander maakt mij als mens compleet. Een mens is onvolledig als hij geen relatie met anderen heeft. Samenleven met anderen maakt mij sterker en maakt mijn leven beter, als ik me maar door mijn verstand laat leiden.

De mens is gemaakt om te leven. We moeten niet nadenken over de dood. We moeten nadenken over het leven , over wat we willen doen, over hoe we gelukkig kunnen worden en blijven. Uiteindelijk moeten we verstandelijke liefde tot God ervaren en moeten we het bestaan aanvaarden zoals die is.»

8 Gottfried Leibniz (1646 – 1716)

Leibniz geloofde in de mogelijkheid van een universele wetenschap van alles. Hij probeerde altijd verbanden te leggen en te ontdekken wat dingen met elkaar gemeen hebben. Hij zocht naar een algemene ordening van ideeën die de mensheid in staat zou stellen perfecte oplossingen te vinden voor elk probleem.

Hij maakt onderscheid tussen feitelijke waarheden en waarheden van het verstand. Feitelijke waarheden zijn gebaseerd op waarneming van feiten. Kennis achteraf dus. Kennis vooraf gaat vooraf aan de waarneming en is altijd waar. Een rechte lijn in een plat vlak is de kortste verbinding tussen twee punten is altijd waar, ongeacht de situatie. Een boom kan vandaag 3 meter hoog zijn, maar morgen 3,15 meter.

Alles bestaat, betoogde hij, omdat er een reden voor is. Alles is begrijpelijk en rationeel, alles in het universum heeft een bepaalde zin. God heeft een wereld geschapen met het minste kwaad. Zonder die minimale hoeveelheid kwaad kan de wereld niet bestaan. God heeft de beste van alle mogelijke werelden geschapen. De wereld is de optimale combinatie van een oneindig aantal mogelijkheden waarin de complexiteit en diversiteit maximaal is.

9 David Hume (1711 – 1776)

Hume betoogt dat alle kennis alleen gefundeerd kan zijn op ervaring en waarneming. Ons begrip van de wereld vloeit volledig voort uit onze indrukken van de wereld. Ideeën zijn mentale voorstellingen die niet kunnen bestaan zonder de gewaarwording. Op grond van indrukken vormt het verstand eerst enkelvoudige ideeën en door associatie vervolgens meer complexe samengestelde ideeën. Het enige waar we echt zeker van kunnen zijn, is dat we bewust zijn van waarnemingen en dat we op basis daarvan denken dat er een werkelijkheid buiten ons bestaat. Een object bevindt zich in ons bewustzijn, want het is niet meer dan een verzameling indrukken en ideeën.

Van een aantal dingen kunnen we nooit met zekerheid zeggen dat ze bestaan, omdat we dat simpel niet kunnen verifiëren. Dat geld ook voor het «ik». Hume verwerpt dat «Ik denk, dus ik besta». Ik denk. Prima. Maar waarom besta ik dan? Kunnen er geen gedachten zijn zonder een subject? We kunnen helemaal niet zeggen dat er een «ik» bestaat als een vaste en stabiele kern van onze gedachten. We weten alleen maar zeker dat er gedachten zijn. Het «ik» is een mentale samentrekking om die gedachten bijeen te houden.

Oorzakelijk verband is niet meer dan een constructie van ons verstand. Het is niet meer dan een associatie van verschijnselen op basis van herhaling. Kunnen we algemene regels afleiden van concrete zaken en gebeurtenissen, inductie genoemd? Bestaan er geen zwarte zwanen als we alleen witte zien? Nee, dit kunnen we niet. Inductie is gebaseerd op herhaling van verschijnselen in de toekomst. Deze waarneming hebben we nog niet gedaan en we kunnen daarom nooit helemaal zeker zijn van de bedachte regel. Conclusies op basis van inductie zijn daarom ten principale betwijfelbaar.

Volgens Hume is het onmogelijk morele oordelen te formuleren op basis van de rede alleen. Moraliteit kan niet bestaan zonder gevoel. Nuttigheid is niet meer dan een neiging naar een bepaald doel, en als dat doel ons koud laat, geldt dat ook voor de middelen. Onze rede laat zien welke gevolgen onze handelingen hebben en onze menselijkheid zorgt ervoor dat we de handelingen kiezen die nuttig zijn en bevorderlijk voor ons welzijn. Ethisch gedrag wordt niet gemotiveerd door goddelijke doelen en verheven idealen, maar door een eenvoudig doch sterk gevoel van sympathie, medelijden, meevoelen voor onze medemens. Hume geeft emoties een belangrijke plaats naast de rede.

Hume meent dat de vraag of God bestaat niet filosofisch is op te lossen. Hij analyseert religie als elk ander sociaal verschijnsel, als een manier van denken die zonder bovennatuurlijke hulp in een samenleving ontstaat en evolueert.

10 Immanuel Kant (1724 - 1804)

Is alles wat we weten of kunnen weten gebaseerd op zintuiglijke waarneming of gaat er iets aan die waarneming vooraf? John Locke en David Hume stelden dat al onze kennis uiteindelijke stoelt op zintuiglijke waarneming. René Descartes en GottFried Leibniz betoogden dat we beschikken over verstandelijke kennis die niet afkomstig is van de zintuigen.

Kants opvatting is dat mensen over een aantal kenvermogens beschikken waarmee we zintuiglijke waarnemingen een vorm geven. Kennis kan niet bestaan zonder zintuiglijke waarnemingen, maar die waarnemingen organiseren we door de «zuivere rede». Kants theorie is daarmee de synthese van empirisme van Locke en Hume en het rationalisme van Descartes en Leibniz.

Kant betoogt de we de werkelijkheid op zichzelf nooit zullen kennen. De werkelijkheid verschijnt slechts in onze waarneming. Deze waarneming structureren we met onze kenvermogens en krijgt zo een vorm. Kennis is een combinatie van onze gewaarwordingen en de structuur die onze kennis via de rede creëert. Met de theorie over de samenhang tussen waarneming en ideeën als fundament van onze kennis beslechtte Kant de pennenstrijd tussen vakgenoten die eeuwen had geduurd.

Onze kenvermogens bepalen hoe objecten in onze waarneming verschijnen. Het waarnemen is geen passief ontvangen van indrukken, maar een activiteit van het denkvermogen. Mensen scheppen een beeld van een object door de synthese van zintuiglijke waarneming en bestaande ideeën. Mensen zien bijvoorbeeld alles in drie dimensies, maar dit wil niet zeggen dat meer dimensies niet bestaan.

Ideeën die niet met waarnemingen zijn te controleren en die niet uit de «zuivere rede» voortkomen, zoals «God» en «ziel» behoren niet tot de waarachtige wetenschap. We kunnen geen antwoord geven op de vraag wat de eerste oorzaak van alles is. Ook niet de oorsprong van God. Metafysica als louter speculatie dient meer om fouten te verbloemen dan om kennis uit te breiden. Toch heeft metafysica waarde voor de ontwikkeling van het hoofddoel: de algemene gelukzaligheid.

Het verschil tussen goed en kwaad moet niet afhangen van de omstandigheden, van onze doelen of voorkeuren. Het moet gebaseerd zijn op normatieve geboden die gebaseerd zijn op de rede. Deze geboden noemt Kant «categorische imperatieven». Kant gelooft dat alleen een «goede wil» absoluut kan zijn.

Een twee basisprincipe is dat mensen nooit andere mensen mogen gebruiken als middel om een doel te bereiken. Mensen moeten we beschouwen als een doel op zich. We moeten dus ook rekening houden met de doelen van die anderen.

De mens kan alleen maar mens worden door opvoeding. Iedere generatie voegt kennis toe waardoor de mens steeds meer en steeds effectiever wordt ontwikkeld. Opvoeding is de zwaarste en moeilijkste taak die de mens op zich kan nemen. Want inzicht hangt af van opvoeding en opvoeding van inzicht.

11 Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770 – 1831)

Hegel probeerde een filosofisch systeem te bedenken waarin alle kennis van de mensheid een plaats heeft, een basis voor de andere wetenschappen. Zijn uiteindelijke doel was niets minder dan absolute kennis van alles. Kennis die wel voortdurend veranderd. Dit absolute weten stond volgens hem gelijk aan volledige zelfkennis, dat gelijk staat aan een volmaakt zelfbewustzijn.

Zijn werk kan op vele manieren worden uitgelegd en dat gebeurt dan ook.

12 Arthur Schopenhauer (1788 - 1860)

De centrale vraag van Schopenhauer is hoe we ons kunnen onttrekken aan de vervloekte keten van verlangens, pijn en onrust. De mens stelt zich de wereld voor als een geheel van verschijnselen, maar dit is pas het begin van het probleem. De drijvende kracht achter deze voorstelling is de blinde, domme «wil». De mens laat zich meeslepen door egoïstische verlangens en lage hartstochten. De wereld is slecht, somber en destructief. We kunnen alleen ontsnappen met behulp van de rede.

Het hoogste genot ontlenen we aan seksuele activiteiten. Dat vind Schopenhauer zeer slim bedacht van de wil. Toch ontstaat na elk orgasme een grote leegte, gevoelens van onvrede en gaat de mens opnieuw verlangen naar activiteiten die in feite niets opleveren. De ideeën van Freud lijken zoveel op die van Schopenhauer, dat Freud heeft moeten verklaren dat hij zijn ideeën niet aan Schopenhauer had ontleend.

Volgens Schopenhauer kunnen we op drie manieren aan ons lijden ontsnappen. Door schoonheidsbeleving (kunst), door het beteugelen van hartstochten en begeerte (ascese) en door mededogen dat elk egoïsme vernietigt(compassie).

13 Søren Kierkegaard (1813 – 1855)

Kierkegaard meent dat het bestaan niet gedacht moet worden, maar geleefd. De mens is geen onderdeel van een wijsgerig systeem. Hij is niet geprogrammeerd door de natuur om bepaalde taken uit te voeren. Hij moet zelf kiezen. Dat is wat wij «vrijheid» noemen. Vrijheid betekent dat onze doelen niet bij voorbaat vastliggen zoals bij anderen dieren. We moeten zelf beslissen welke mogelijkheden we willen realiseren. Deze keuzevrijheid veroorzaakt angst. De mens moet kiezen tussen enerzijds de wereld van de rede en het nut en anderzijds de wereld van het geloof, die op niets anders is gebaseerd dan op het absurde.

Kierkegraad verkondigde het principe dat later het centrale geloofsartikel van de existentialisten zou worden. «Existentie gaat vooraf aan essentie» oftewel «Bestaan gaat voor alles».

14 Karl Marx (1818 – 1883)

Filosofen hebben de wereld slechts op verschillende manier geïnterpreteerd; het komt er echter op aan de wereld te veranderen. Marx wilde de wereld niet alleen begrijpen, maar ook verbeteren.

We moeten niet naar ideologen luisteren en ons blind staren op ideeën, maar onderzoek doen naar het technische niveau en de economische structuur van de maatschappij. De structuur is namelijk bepalend voor de instituties en de ideologieën waarmee mensen hun onderlinge relaties regelen en de wereld uitleggen.

Marx voorspelt dat het kapitalistische systeem onafwendbaar zal instorten en een revolutie veroorzaakt die leidt tot een totaal nieuwe en werkelijk vrije samenleving.

15 Friedrich Nietzsche (1844 – 1900)

Nietzsche stelt dat in de mens sprake is van een eeuwige strijd tussen het «apollinische» en het «dionysische». Het apollinische staat voor het beschaafde, het beheerste, het overdachte, het formele, de helderheid. Het dionysische is de naam voor de ware aard van de werkelijkheid, het extatische, de passies, de roes, het leven zelf.

Volgens Nietzsche bestaat er geen objectieve moraal, maar is alle ethiek een middel. Ethiek is louter een manier van de sterkeren om de zwakkeren te onderwerpen. Ethiek vertegenwoordigt altijd een belang en heeft een machtseffect. Ethiek is een dekmantel van de machtshonger van de priesterkaste. Sterker nog, de fundamentele kracht in het universum is «de wil tot macht». De wil tot macht is geen metafysisch concept, maar staat midden in de wereld.

16 John Dewey (1859 – 1952)

Dewey stelde zich ten doel om af te rekenen met het dualisme dat wetenschap en ethiek tegenover elkaar plaatste. Hij verwierp het onderscheid tussen empirische en morele kennis. Deze twee vormen van kennis zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wij nemen objecten altijd waar in een context. We zijn ons bewust van het object en ook van de relaties met onszelf en de andere objecten. Het is een complexe ervaring waarin we geen zuiver onderscheid kunnen maken tussen wetenschap en ethiek, tussen feiten en waarden. De mens staat als handelend wezen centraal. Het handelen en denken is gericht op het oplossen van praktische problemen, het pragmatisme.

Kennis is niet het objectief waarnemen van de wereld, maar het omgaan met de onzekerheid in het menselijk bestaan. Hij verwierp het denken om het denken. We verwerven kennis altijd om meer controle over onze situatie te krijgen. Kennis is niet geldig omdat ze overeenkomt met de werkelijkheid, maar omdat ze leidt tot de oplossing van een probleem. Ware kennis is kennis die we praktisch kunnen toepassen. Waarheid is pas waarheid als ze wordt bevestigd in de praktijk, oftewel «waarheid is wat werkt». Denken is het instrument dat de natuur in de evolutie gebruikt om onduidelijke en onveilige situaties te veranderen in overzichtelijke en veilige situaties. Denken is een instrument om de werkelijkheid te beheersen. Het verstand onderzoekt welke methoden en principes de beste resultaten opleveren. De meest doelmatige methoden en principes beschouwen we vervolgens als rationeel.

Communicatie is de meest kenmerkende vorm van menselijke gedrag. Door communicatie kan de mens zijn ervaringen en waarden delen met medemensen. Democratie is een ethisch ideaal waarbij iedereen gelijk kan deelnemen aan maatschappelijke verworvenheden – onderwijs en gezondheidszorg – en met flexibele instituties die zich aanpassen aan de situatie. Democratie is het geloof dat ieder individu een bijdrage kan leveren aan de gehele groep.

17 Bertrand Russell (1872 – 1970)

«De Russell-paradox» beschrijft een logische tegenstrijdigheid in uitspraken die zichzelf tegenspreken . Bijvoorbeeld, als de op Kreta geboren Epimenides zegt dat alle Kretenzers altijd liegen, dan maakt het niet uit of hij de waarheid spreekt of liegt. De uitspraak kan niet waar zijn.

Rusell loste dit vraagstuk op door een theorie van logische types te formuleren die onderscheid maakt tussen de verzameling objecten en de eigenschappen hiervan. Logische types kunnen we niet onderling met elkaar vergelijken, alleen met zichzelf. Russell loste ook dubbelzinnigheden in taal op.

18 José Ortega Gasset (1883 - 1955)

Bij Ortega staat de essentie van de mens gelijk aan de persoonlijke biografie van elk individu. De mens is niet zozeer een «wezen» of een «natuur», maar vooral een eigen levensgeschiedenis. Onze identiteit vormt zich door de omstandigheden. De mensen om ons heen, de heersende opvattingen, et cetera. Het «ik» moet zijn best doen om zijn wereld te redden om zichzelf te redden. Ortega draait in feite het perspectief van Descartes om: voor hem is het niet «ik denk, dus ik ben», maar «ik ben, dus ik denk». De objectieve werkelijkheid is voor Ortega niet anders dan de som van alle gezichtspunten van alle individuele personen.

19 Ludwig Wittgenstein (1889 – 1951)

Wittgenstein zegt: «De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld. De grenzen van mijn taal zijn ook de grenzen van de logica. Ik ben mijn wereld, de wereld die ik in taal uitdruk en waarover ik in taal nadenk. Waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen.» Het is een oproep tot een zekere bescheidenheid over de zin en reikwijdte van onze beweringen. We kunnen niets betekenisvol zeggen over ethiek, over de zin van het leven, over mystiek, over metafysica en zelf niet over logica. Ook deze stelling is betekenisloos. (?)

Een zuivere, ondubbelzinnige taal bestaat niet. Taal is een spel om in concrete situaties met elkaar te communiceren. In deze taalspellen hangt de betekenis van woorden af van hoe ze worden gebruikt en in welke context. Een taalspel hoort bij een sociale praktijk, een manier van samenleven en communiceren. Een woord krijgt pas betekenis als verschillende mensen aan het woord dezelfde betekenis toekennen.

20 Martin Heidegger (1889 – 1976)

Het is niet duidelijk of Heidegger duidelijk kan maken wat hij wilde zeggen. De kern van zijn filosofie is: het denken van het zijn. Wat het zijn is, is niet geheel duidelijk in zijn teksten.

21 Theodor Adorno (1903 – 1969)

De moderne mensen gebruiken hun ratio, maar alleen om de geschiktste technische, wetenschappelijke en sociale middelen te kiezen om onze doelen te bereiken. Wij vragen ons echter niet af of die doelen zelf wel zo rationeel zijn. Onze ratio is dus voornamelijk een instrumentele ratio.

De Verlichting – de intellectuele bevrijding van het mythisch-religieuze wereldbeeld, het kritisch denken, de wetenschap – heeft geen rationele levensdoelen opgeleverd. In de moderniteit blijft één grote vraag onbeantwoord: wat willen we uiteindelijk bereiken met al onze rede, techniek en wetenschap?

De Verlichting heeft ook het nazisme en het stalinisme voorgebracht die allesbehalve rationele doelen hadden. De middelen die werden gebruik, waren wel degelijk rationeel. Beide maakten gebruik van de modernste technische middelen en politieke propaganda. In de moderne tijd staan te vaak rationele middelen in dienst van irrationele doelen.

Adorno wil anderen laten inzien dat we slechts een beperkt begrip van de werkelijkheid kunnen hebben. Elk begrip is eindig en beperkt.

22 Jean-Paul Sartre (1905 - 1980)

We kunnen het niet over het bestaan van God hebben als we niet eens weten wat we met het woord «God» bedoelen. We bedenken onze waarden zelf en dit betekent niets anders dan dat het leven geen zin heeft.

Sartre koesterde groot wantrouwen tegen de term «humanisme», omdat dit verwijst naar een zuiver metafysisch begrip. En vooral omdat het in de geschiedenis steeds opnieuw op een discriminerende manier is gebruikt. De Romeinen vonden zichzelf humaner dan de barbaren, de christenen dachten dat ze betere mensen waren dan de heidenen, enzovoort.

23 Michel Foucault(1926 - 1984)

Voor Foucault is het fundamentele vraagstuk de verstrengeling van kennis en macht. De gehele maatschappij is doortrokken van machtsstructuren. De maatschappij sluit zieken, gekken en misdadigers uit, in plaats van ze op te vangen. Wij «normale mensen» doen er allemaal aan mee. Kneveling van de gedachten komt in de gehele maatschappij voor om de regels van de groep op te volgen. Het schoolexamen bijvoorbeeld, is niet alleen een inhoudelijke toets, maar ook een ceremonie van de macht van de docenten.

24 Het Raamwerk

Vrijwel alle onderwerpen in de filosofie komen ook in het Raamwerk aan de orde. Toch liggen de aanvliegroutes mijlenver uit elkaar. Waar de filosofie start met twijfel en op zoek is naar een antwoord, start Het Raamwerk met hét levensdoel en start een zoektocht naar de routes en processen die hiertoe leiden. Door het doel voorop te zetten, kantelt het filosofische gezichtspunt. De onderwerpen blijven gelijk, alleen verdwijnen de vragen en komen de antwoorden bovendrijven. Het Raamwerk is daarmee een synthese van de filosofische denkbeelden waarbij doel en middelen helder gescheiden zijn. In het algemeen geldt dat filosofische doelen middelen worden en dat het doeltreffend en doelmatig bereiken van hét levensdoel alles aanstuurt.

Filosofen zoeken veelal naar het antwoord op de vraag wat de zin van het leven is. Ze formuleren dit vaak als antwoord op de heersende religie. Maar wat is zin? Het woord «zin» vraagt om de intentie of bedoeling. De zin van de wereld moet dan buiten de wereld liggen, schrijft Wittgenstein. «Zin» heeft alleen betekenis als een doel bestaat en is daarmee gebonden aan wezens die een doel nastreven. Materie kent geen «zin», het bestaat gewoon.

Het Raamwerk benadert de vraag naar de zin van het leven vanuit een ander perspectief. De redenatie is verankerd met de gedachtegang van Bertrand Russell die verschillende logische types benoemt om een oplossing te zoeken voor een paradox. Vanuit elke type heeft de vraag naar de zin van het leven een ander antwoord. Het type kunnen we ons voorstellen als een waarnemer.

Voor een waarnemer buiten het heelal heeft het bestaan in het heelal geen zin voor hem, zover het geen invloed op hem uitoefent.

Voor een waarnemer buiten de aarde heeft het bestaan van het heelal wel zin, omdat het zijn toekomst bepaalt. Het bestaan van de aarde is daarentegen nutteloos, als het zijn bestaan niet beïnvloedt. Het is niet meer dan één van de miljarden planeten.

Is de waarnemer een mens, dan is het bestaan van de aarde wel zinvol. Zonder de planeet aarde kan hij niet leven. En hij kan niet zonder het gehele ecosysteem dat hem van zuurstof, water en voedsel voorziet.

De zin van het leven is hierbij teruggebracht tot de vraag hoe de waarnemer kan overleven. De vraag hoe de waarnemer is ontstaan, is, afgezien van het allereerste begin, beantwoord door de evolutietheorie. Het Raamwerk start hier en stelt eenvoudigweg dat het denken van de mens gericht is op een zo goed en comfortabel mogelijk overleven van de mens en zijn nakomelingen.

Het Raamwerk is op twee manieren te beredeneren:

1. Vanuit het ontstaan in de evolutie. De volgorde van de persoonlijke ambities is dan Lichaam, Samenwerking, Macht, Identiteit, Kennis.

2. Vanuit de voorplanting. De volgorde is dan Lichaam, Macht, Identiteit, Samenwerking en Kennis.

Beide wegen leiden tot hetzelfde raamwerk.

Een indeling van de filosofen in Het Raamwerk is in grote lijnen:

Doel

Aristoteles

Schopenhauer

Kierkegaard

Nietzsche

Gasset

Lichaam

Hobbes met angst en veiligheid

Samenwerking

Hobbes met structuur

Wittgenstein met taal

Macht

Adorno

Foucault

Identiteit

Arristoteles

Schopenhauer

Kennis

Plato

Aristoteles

Locke

Hume

Leibniz

Dewey

Emoties

Spinoza

Hume

Arjen Meijer
29 januari 2013

1) Fernando Savater (2008) Het avontuur filosofie