De in hoofdstuk 14.4 geformuleerde eisen aan een gedragstheorie laten zich als volgt samenvatten. Een waarnemer beschrijft de mogelijke handelingsroutes naar het doel van een persoon, rekening houdend met fysieke beperkingen en de grenzen van keuzevrijheid. Bij tegenstrijdige informatie maakt de theorie duidelijk welke overweging voorrang krijgt. Bovendien legt het uit hoe waarnemingen de routes bijsturen. Tevens is de theorie in overeenstemming met de Wetten van Beïnvloeding en Waarneming. (Deze eisen aan een gedragstheorie gaan een stuk verder dan de eisen die we stellen aan theorieën in de natuurkunde: een theorie is in essentie waarneembaar en herhaalbaar.)
In hoofdstuk 4.2 is uitgelegd dat we de wereld samenvatten in drie referentielagen: waarnemingen, acties en waarneming van acties. Een correcte gedragstheorie classificeert de waarneming van (mogelijke) acties.
Een gedragstheorie die stappen op een routes beschrijft, vertrekt vanuit een duidelijk doel. De grote vraag is: “Wat is dit doel?”
In hoofdstuk 9 Kennisballon: Doel hebben we onderscheid gemaakt tussen twee soorten doelen: ingebouwde doelen en vrij gekozen doelen.
Gij, het lichaam, kent een ingebouwd doel dat vastligt in de biologische programmering.
Daarnaast bestaan de ik- en wij-waarnemers, die zelf doelen formuleren en nastreven. Zij hebben de vrijheid om richting te geven aan hun handelen.
Dij-waarnemers hebben geen eigen doelen, maar kunnen wel doelen van anderen afleiden. Vanuit een tijdschaal van miljoenen jaren leidt dij het selectiemechanisme van het leven af: levensvormen die zich succesvol voortplanten, geven hun eigenschappen door, terwijl minder succesvolle varianten verdwijnen. Dij vat dit samen door te zeggen dat het levensdoel van gij-waarnemers het krijgen van nakomelingen is.
De enige wetenschappelijke theorie die dit perspectief systematisch onderbouwt, is de evolutietheorie. Deze theorie beschrijft hoe de enorme diversiteit aan levensvormen is ontstaan uit kleine genetische variaties. Veranderingen die bijdragen aan overleving en voortplanting verspreiden zich, terwijl ongunstige variaties verdwijnen.
De evolutietheorie is een samenvatting van de werking van levensvormen. De evolutie kent zelf geen doel, alleen richtingen en patronen; het is geen handelend wezen, maar het is slechts een classificatie in de waarneming-van-beïnvloedingsreferentie.
in de gij-waarnemer, ons lichaam, stuurt het krijgen van nageslacht op drie manieren aan: via hormonen, emoties en denkvermogen (ratio).
De hormonen, zoals testosteron en oestrogeen, stimuleren onze seksuele opwinding en beïnvloeden onze lichaamstemperatuur, transpiratie en geurwaarneming. Deze hormonale impulsen werken grotendeels buiten ons bewustzijn om, maar zijn desondanks sterk van invloed op ons gedrag.
De vrije wil is de ultieme triomf van de genen. Door de voorrangsregels in het denken vast te leggen, optimaliseren de genen zeer flexibel de weg naar het voortplantingsdoel en geven ze prioriteit aan het nageslacht. Onze vrije wil maakt dat we ons ook voortdurend kunnen aanpassen aan de wijzigende leefomstandigheden.
Hierna ontwikkelden emoties zich als een meer verfijnd beslissingsmechanisme en communicatiemiddel. Emoties zoals angst, jaloezie en schuldgevoel helpen ons prioriteit te geven aan ons nageslacht en onze verwanten. Ook zonder taal maken ze zichtbaar wat ons beweegt. Emoties verbinden ons met anderen en versterken de sociale samenhang.
Vervolgens zijn we ons bewust geworden van onszelf. We kunnen onze doelen niet alleen voelen en nastreven, maar er ook over nadenken en ze plannen. Door ons bewustzijn kunnen we onze doelen op een rijtje zetten, uitstellen en ombuigen naar iets anders. Abstract denken, goed en kwaad, en cultuur gaan een belangrijke rol spelen in ons denken. Een eigen persoonlijke mix ontstaat van wat we willen en wat we belangrijk vinden. We gaan optimaal profijt trekken van de flexibiliteit die het denken en daarmee ons gedrag ons biedt. Met de vrije wil als mooiste resultaat.
De drie niveaus hormonen, emoties en bewustzijn vormen het fundament waarop ons gedrag rust. Deze lagen laten zien dat gedrag geen willekeurige keuze is. Het zijn doelgerichte acties, die diep in ons verankerde drijfveren dienen: het voortzetten van het leven.
Hoewel ons lichaam is geprogrammeerd om nageslacht te krijgen, wil dit niet zeggen dat iedereen dit programma strikt uitvoert; wel dat iedereen onderhevig is aan de processen die voorrang geven aan het invullen van dit ingebouwde levensdoel. Ondanks de natuurlijke aansporingen om zich voort te planten, krijgt niet iedereen kinderen. Dit is geen straf, maar een selectie. Reproductie is geen recht, maar een resultaat.
Door de natuurlijke selectie is naast de lichamelijke kenmerken reproductief succes afhankelijk van het maken van goede keuzes. De kernvraag is daarom welke denk- en gedragseigenschappen bijdragen aan voortplantingssucces. Processen in het brein die voorrang geven aan het krijgen van (klein)kinderen zijn door de natuurlijke selectie succesvoller dan andere varianten. Denkprocessen die voorrang geven aan het doorgeven van leven, komen daardoor steeds vaker voor. Elke generatie erft deze voorrangsregels.
Welke eigenschappen krijgen voorrang? Om welke denk- en gedragspatronen gaat het?
Bij wetenschappers gaan nu alle alarmbellen af: waarom vijf en geen vier of zes ambities? Het antwoord is dat de bovenstaande redenering leidt tot vijf ambities. Niet meer, niet minder. Het aantal van vijf is een gevolg van de redenering en is een toevallige uitkomst. Dat er vijf ambities zijn, heeft dan ook geen enkele betekenis. Het is niet mogelijk om het aantal te verlagen of te verhogen zonder de redenering geweld aan te doen. De redenering staat centraal, niet het aantal. De echte vraag is of de redenering correct is, niet of het aantal betekenis heeft.
Vijf denkprocessen zijn essentieel om het leven door te geven. De eerste is de selectie van een succesvol lichaam. Potentiële ouders kiezen elkaar uit; een proces waarin mannen en vrouwen elk hun eigen afwegingen maken. Mannen voelen zich aangetrokken tot jonge vrouwen met een hoge vruchtbaarheid, omdat dit de kans op veel nakomelingen vergroot. Vrouwen daarentegen geven de voorkeur aan genetisch sterke en gezonde mannen, maar hechten vaak nog meer waarde aan sociale status. Hoge status duidt op een goede toegang tot middelen en bescherming, wat de kans vergroot dat hun kinderen in optimale omstandigheden kunnen opgroeien. Het verwerven van status is daarom de tweede belangrijke sleuteleigenschap. Mannen en vrouwen concurreren wel met elkaar om de beste partners. Hierdoor kiezen beiden partners die op dezelfde sport van een denkbeeldige aantrekkelijkheidsladder staan. Vanuit deze positie presenteren ze hun identiteit, hun waarde voor de toekomst. Identiteit is de derde sleuteleigenschap. Door samen te werken met elkaar en groepsgenoten zijn de kinderen gemakkelijker op te voeden. Samenwerking is het vierde sleutelproces. Hoe meer kennis we vergaren om correcte voorspellingen te maken en succesvolle acties uit te voeren, hoe succesvoller iedereen wordt. Dit is het vijfde sleutelproces.
Kortom, om goed voor nieuw leven te kunnen zorgen, beschikken we over vijf doorslaggevende denkprocessen die we verwoorden met de begrippen Lichaam, Status, Identiteit, Samenwerking en Kennis. Om de termen zo concreet mogelijk te houden, vermijden we hoogdravende namen, zoals "Existentie" voor Lichaam.
Het zijn eenvoudige namen, maar de processen die ze verwoorden zijn complex. Zo complex dat meerdere lagen nodig zijn om gedrag uit te leggen. De vijf processen zijn slechts de vijf bovenste stenen in een denkbeeldige piramide.
De sleutelprocessen zijn cruciaal voor succes. Net als lichamelijke eigenschappen, zoals de kleur van de ogen, worden ze genetisch overgedragen en zijn ze bij ieder mens ingebakken. Een dij-waarnemer ziet dat de denkprocessen ervoor zorgen dat een mens vaak bezig is om deze vijf subdoelen te bereiken om het uiteindelijke levensdoel te realiseren. Het zijn verborgen drijfveren die het menselijk denken sturen en aanzetten tot daden. Deze drijfveren krijgen de naam persoonlijke ambities. De manier waarop we met de vijf ambities omgaan, vormt de basis voor ons gedrag.
| Persoonlijke ambitie | Gewenste eigenschap | Resultaat |
|---|---|---|
| Lichaam | Mooi en jong | Veel gezonde kinderen |
| Status | Geld, macht, aanzien | Goede leefomstandigheden |
| Identiteit | Veerkracht om in de toekomst van belang te zijn | Succes bij het vinden een partner |
| Samenwerking | Elkaar helpen | Beste overlevingskans |
| Kennis | Oplossingen bedenken en toepassen | Lang en comfortabel leven |
Alternatieve termen zoals eigenschappen, voorrangsregels, voorwaarden, subdoelen, natuurlijke drijfveren, evolutionaire machten, levensmotieven, intrinsieke basismotieven, kenmerken, aspecten, elementen of componenten missen die menselijke kant van het woord ambities. Ze leggen wel de functionele of biologische basis bloot, maar doen onvoldoende recht aan de krachten die zich in ons dagelijks leven manifesteren als richtinggevende verlangens en gedragsimpulsen. Daarom spreken we van persoonlijke ambities; als brug tussen onze evolutionaire oorsprong en ons menselijk handelen. Het woord ambities benadrukt dat niet iedereen het levensdoel bereikt en dat denken en daden vereist zijn om het te verwezenlijken.
De persoonlijke ambities vormen een route naar het levensdoel. Het zijn begrippen die op elkaar voortbouwen. Samenwerking kan niet zonder Lichaam, Status niet zonder Samenwerking. Verdwijnt de voorliggende stap, dan valt de gehele route naar het doel in duigen.
De route dwingt af dat we de waarneming-van-beïnvloedingsreferentie toepassen en geen waarnemingsreferentie. De persoonlijke ambities classificeren de routebeschrijving naar levensdoel, waardoor ze zijn te toetsen aan de Wetten van Waarneming en Beïnvloeding. (De meeste gedragstheorieën classificeren zonder de beïnvloedingsketen te beschrijven, waardoor deze theorieën niet te toetsen zijn en niet meer dan een slag in de lucht zijn.)
Vorige pagina Volgende pagina Inhoudsopgave